Conceptuele benadering

Het didactische model van Clive Erricker (2010) koppelt het eigen narratief en de belevingswereld van de leerlingen aan religieuze concepten en actuele religieuze fenomenen.

Modules waarin gewerkt wordt met Conceptuele benadering
Een roep in de seculiere woestijn

Om deze koppeling te bewerkstelligen maakt Erricker onderscheid in drie types concepten (pp. 112-113):

A-concepten zijn begrippen die algemeen bekend zijn voor zowel religieuze- als niet-religieuze ervaringen. Denk aan: lijden, rechtvaardigheid en vrijheid.

B-concepten zijn begrippen die voorkomen in nagenoeg alle religies en gebruikt worden in de fenomenologische benadering van religie. Denk aan: heilig, profeet en verlossing.

C-concepten zijn sleutelbegrippen die specifiek zijn voor een bepaalde religie. Denk aan: heilige Drie-eenheid, Dukkha en Oemma.

Alle mensen hebben een eigen interpretatie van of verhouding tot A-concepten. Door leerlingen hier eerst, vanuit hun eigen leven, over na te laten denken, landen de B- en C-concepten in een later stadium beter. Het is ook mogelijk om juist bij een C-concept te starten, waardoor leerlingen er uiteindelijk achter komen dat dit C-concept toch niet zo ver van hun eigen wereld afstaat als zij dachten. Om de gang van A- naar C-concept in goede banen te leiden, heeft Erricker onderstaande cyclus opgesteld.

conceptuele toepassing
Figuur: Cyclus conceptuele toepassing

In de bijdrage Het didactische model van Clive Erricker: een conceptuele benadering van het vak Godsdienst/Levensbeschouwing omschrijft Jeannette den Ouden (2020, p. 334) de stadia van het conceptuele model als volgt:

1. Communiceren

Verkennen en expliciteren van eigen ervaringen en daaruit afgeleide opvattingen over een bepaald levensbeschouwelijk concept.
> Wat is mijn mening eigenlijk over dit A-concept? [red.]

2. Toepassen

Eigen opvattingen over dit bepaalde concept toepassen op een specifieke situatie of context om de eigen opvattingen te kunnen herkennen, problematiseren, bevragen, rechtvaardigen, nuanceren, etc.
> Welke voor- en nadelen zijn rond dit concept te vinden? [red.]

3. Informeren

Onderzoek naar de interpretaties en betekenissen van het concept waar de cirkel is gestart of van een daarmee samenhangend religieus/levensbeschouwelijk concept of van een nieuw geïntroduceerd concept.
> Wat betekent het C-concept eigenlijk voor mensen? [red.]. Eventuele introductie van het B-concept.

4. Contextualiseren

Het concept onderzoeken in de concrete context van levensbeschouwelijke praktijken en teksten, zowel vergelijkend (dus in diverse levensbeschouwelijke contexten) als verdiepend binnen de context van een bepaalde of enkele levensbeschouwing(en).
> Hoe werkt het C-concept in specifieke situaties? Welk B-concept past erbij? [red.]

5. Evalueren

Deze fase kent twee componenten, namelijk de vraag naar de waarde van het concept voor een persoon die behoort tot een bepaalde levensbeschouwelijke groep en voor de leerling zelf.
> Wat betekent het C-concept vanuit het insider-perspectief en vanuit het outsiderperspectief? Hoe verhoudt het C-concept zich tot het A-concept en mijn ideeën over het A-concept? [red.]